HELP FILE

Verbinding maken met computers op het LAN-netwerk

Dit artikel is opgesteld ter ondersteuning van technici van Rescue.

Verbinding maken met een computer op een LAN-netwerk

Verbinding maken met computers op uw LAN-netwerk en ondersteuning en onderhoud bieden zonder tussenkomst van de eindgebruiker.

De Technicusgroep van de adviseur moet de rechten hebben om verbinding te maken op het LAN-netwerk.
Beperking: de functie Op het LAN-netwerk verbinden is niet beschikbaar voor Technician Console voor Mac.
  1. Op de sessiewerkbalk klikt u op het pictogram Computers.

    Resultaat: De lijst Computers wordt weergegeven.

  2. In de lijst Computers klikt u op het tabblad Op het LAN-netwerk verbinden om een lijst van beschikbare computers weer te geven.
  3. Filter de computers op naam of op IP-adres.

    Tip: u kunt op elk moment zoeken en verbinding maken. U hoeft niet te wachten totdat de volledige lijst met computers is geladen.

  4. Selecteer de computer waarmee u verbinding wilt maken en klik op Verbinding maken.

    Belangrijk: als u geen beheerdersrechten hebt, wordt u gevraagd om de aanmeldingsgegevens in te voeren van de computer waartoe u toegang wilt.

    Resultaat: De sessie verschijnt in de Technician Console met de status Bezig met verbinden. De applet wordt gestart op de externe computer en de sessie begint. De klant hoeft dus geen toegang tot de computer te verlenen, u kunt direct aan de slag zonder tussenkomst van de klant.

Voorbeeld: Technische informatie voor geavanceerde gebruikers

  • Vereiste Windows-instellingen:
    • Delen van bestanden en printers moet zijn toegestaan op de firewall van de klant.
    • Netwerktoegang: model voor delen en beveiligen van lokale accounts moet worden ingesteld op Klassiek – lokale gebruikers verifiëren als zichzelf op de computer van de klant (Configuratiescherm > [Systeem en beveiliging in Win7] > SysteembeheerLokaal beveiligingsbeleid > Lokaal beleid > Beveiligingsopties > Netwerktoegang: model voor delen en beveiligen van lokale accounts).
    • Zowel de computer van de technicus als de klant moeten een compatibele NTLM-verificatiemethode gebruiken: Configuratiescherm > [Systeem en beveiliging in Win7] > Systeembeheer > Lokaal beveiligingsbeleid > Lokaal beleid > Beveiligingsopties > Netwerkbeveiliging: verificatieniveau LAN-beheerder (stel bijvoorbeeld beide in op Alleen NTLMv2-antwoord sturen).
    • Als de service voor het Extern Register is ingeschakeld op de externe computer, gebruikt de Technician Console die. (Ga naar Configuratiescherm > Systeembeheer > Services, klik met de rechtermuisknop op Extern register en klik vervolgens op Eigenschappen. Stel het Opstarttype in op Automatisch of Handmatig.) Als de service voor het Externe Register is uitgeschakeld, kan de Technician Console ook gebruikmaken van de Windows Management Instrumentation Command Line (WMIC, opdrachtregel) als back-up. WMIC is veiliger, maar langzamer.
  • NetBIOS gebruikt poorten 135, 137, 138, 139
  • Windows gebruikt NTLM-verificatie om beheerdersrechten te krijgen. Deze verificatie gebruikt willekeurig toegewezen TCP-poorten: 1024-65535, of 49152-65535 op Vista en Windows Server 2008. Communicatie via deze poorten moet door firewalls worden toegestaan.
  • Modi voor computerdetectie
    Technician Console versie 7.12.3351 of lager
    De vorige versies van de Technician Console gebruiken de opdrachtregeltool net.exe om computers te detecteren op een netwerk. De meest recente versies van Windows schakelen het SMBv1-protocol uit, waar deze tool op is gebaseerd. Om de oorspronkelijke functionaliteit te herstellen, moet de klant het protocol SMBv1 opnieuw inschakelen op de externe computers.
    Technician Console versie 7.12.3352 of hoger
    Als de Windows-functie voor Active Directory Lightweight Directory Services is ingeschakeld op de computer van de technicus, kan de Technician Console de computerlijst lezen vanuit Active Directory.